Witzwarte vari

Zuid Afrika: Luxueus wild

Tekst en foto door Timo & Michele Denys

De helft van de tijd geniet je van een oogstrelende Afro-chic designvilla met privézwembad, bij zonsopgang en
zonsondergang cruise je in je privé-Land Rover door de jungle, gin and tonic in de hand. Met de
driehoekscombinatie Royal Malewane, Singita Sweni en Londolozi beleef je dé Zuid-Afrikaanse droomsafari.


Luxueus wild

Een sandwich en een koffie geleden vertoefden we nog in de wereldstad Johannesburg, nu staan we met de voeten in het mulle zand naast een mosgroene Land Rover Defender, het werkpaard van de Royal Malewane Lodge. Vijf personeelsleden staan ons in spierwit uniform zwaaiend op te wachten. Ja, dit is echt ‘royal’. Royal Malewane is met amper zeven kamers dan ook niet het eerste het beste kamp. Bono, Elton John: zij en andere wereldsterren kiezen deze stek voor hun jaarlijks uitje naar de bush. “De enige plaats ter wereld waar de ceo van Microsoft z’n smartphone uitschakelt”, luidt het verhaal. En niet alleen omdat deze ruim tien jaar geleden geopende toplodge de grootste suite in de savanne herbergt, of gemiddeld acht personeelsleden per kamer voorziet. Maar vooral omdat Royal Malewane zo puur is, de perfecte ‘Out of Africa’-sfeer ademt – Robert Redford en Meryl Streep net niet inbegrepen. Nicolas Sarkozy en Carla Bruni brachten hier trouwens begin 2008 hun wittebroodsweken door. “Wij proberen inderdaad de perfecte safari te creëren”, zegt de Britse hotelmanager Liza – every inch a lady. “En daar gaan we soms ver in. Vorige week wilde een wat malle Australische gast ’s morgens gaan joggen. Hij deed dat elke ochtend, hij zou dat ook nu doen. Geen probleem. Maar ik heb wel een jeep met een gewapende ranger achter hem aan laten rijden… ” De gastheer stelt ons meteen voor aan de nieuwe vrienden: de potige ranger Juan en de stille tracker Wilson. “Tea om halfvier, om vier uur zijn we weg”, zegt Juan op een toon die duidelijk geen tegenspraak duldt. “En vergeet de warme kleren niet, het belooft koud te worden na zonsondergang.” Bij aankomst in de lodge heeft de chef de barbecue aangestoken en wordt de avond opgefleurd met –zoals ze alles oplossen in Afrika– dans en zang. Het personeel, voor de gelegenheid in lokale klederdracht gehuld, treedt in geen tijd uit zichzelf. Er wordt rond de vuurkorven gesprongen, op de grond gestampt en beestig hard gezongen.

Royal Malewane

Baviaan met purperen onderbroek

De volgende twee dagen vullen we volgens een vast stramien. Opstaan om half zes, vertrekken bij zonsopgang rond zes uur. Koffie om acht uur en toeren tot half tien. Dan ontbijten en luieren. Lunchen. Als de middagduivel toeslaat, een hazenslaapje doen en terug vertrekken omstreeks vier uur, wanneer de hitte razendsnel afneemt. Rijden tot half acht, diner rond acht uur, om tien uur onder de wol. Voor de laatste avond verbroederen gasten en rangers rond een immens kampvuur. “Je mag alles vragen, ook als je blond bent”, grapt een koloniale reiziger die een eigen tv-show net niet gehaald heeft. Het ijs is gebroken. En zoals dat gaat; hoe later op de avond, des te spectaculairder de verhalen. Een mooie was die Amerikaanse gast die het voorschrift van zijn malariapillen verkeerd geïnterpreteerd had. In plaats van één tablet per week, slikte hij er één per dag. Dat leverde hem niet alleen hallucinante beelden van mensenverslindende leeuwen op, maar ook een bijna-doodervaring. En dan die baviaan die een kamer was binnengedrongen en even later op een boom zat te pronken met een reispaspoort in zijn hand én een purperen G-string op zijn hoofd. Ja, ja, safari’s…

Bewaken van het respectvol toerisme

“Het slechte nieuws is dat er steeds meer lodges de deuren openen”, zegt Marlon du Toit, de in perfect safarihemd, shorts en bruine lederen laarzen gestoken hoofdranger van Singita Sweni, onze tweede stopplaats. Vanochtend heeft een sportvliegtuigje van Federal Air Taxi ons stijlvol overgevlogen, vertrokken vanop niet meer dan een streepje verharde landweg. Geen gebouw, niets. Alleen een windzak en een rekje met twee brandblussers. Maar wel veel stof, een weidse steppe en een verschroeiende hitte. “Het goede nieuws is dat er ter compensatie steeds meer terreinen als ‘game reserve’ geklasseerd worden en oude jachtgebieden omgevormd worden tot foto-safari-locatie. In principe blijft dus alles –relatief– bij het oude”, vervolledigt hij. We krijgen meteen een uitgebreid antwoord op onze spontane opmerking ‘dat het druk is’. Wij doelden op de situatie dat ons vliegtuigje tweemaal de landing moest inzetten wegens giraffen op de piste bij de eerste nadering. Maar de lieve man interpreteerde het anders. “Ik ga niet te snel rijden”, roept Marlon eens gezeten in de Land Rover. “Olifanten steken altijd zonder kijken de rijweg over. Ze leren het nooit…” Onderweg krijgen we met schorre stem en grote gebaren de hoofdregels van het huis uitgelegd. Na zonsondergang (dat is al rond vijf uur ’s middags in de wintermaanden) mag je niet alleen rondwandelen. Wie zich dan wil verplaatsen, moet een (gewapende) ranger bellen. Vooral dat onthouden, is de boodschap. Bij een fris glaasje chenin blanc buigen we ons ’s avonds onder de olielamp over de landkaart. Singita Sweni en buurhotel Singita Lebombo liggen in een privépark van vijftienduizend hectare, net naast een oostelijke uithoek van het Kruger Park, aan de grens met Mozambique. Het verschil met Kruger is dat dit park niet door de regering maar met privékapitaal geëxploiteerd wordt en bijgevolg alleen toegankelijk is voor wie er logeert. Met andere woorden: je kan hier uren rondrijden zonder een andere wagen te ontmoeten, in tegenstelling tot de publieke parken waar ieder dier dat zich in de buurt van een weg ophoudt, quasi bestormd wordt.

Singita leeuwen

Liefdesnest tussen de bomen

Het prijskaartje voor een safari varieert, net zoals alle andere soorten reizen, van budget tot super-de-luxe. Dus van eenvoudige koloniale tenten tot oogverblindende lodges ontworpen door hippe designers. Singita Sweni Lodge behoort zonder fout tot de top. “Toen de architecten deze lodges tekenden, hadden ze één opdracht: creëer een nec plus ultra-plek met een all-inconcept”, vertelt sommelier Henrico van Lill. Singita is zijn walhalla én grote speeltuin. Want beneden, ingegraven in de grond, bevindt zich een spectaculaire wijnkelder met 15.000 flessen van het beste wat de wereld –-en vooral de Kaap– te bieden heeft. Singita Sweni is een oase met amper zes suites, waar de privacy van de gasten absolute prioriteit geniet. Zen is het toverwoord. Wij kennen alvast weinig hotels die wat dat betreft zo juist zitten. Ons wordt Suite 6 toegewezen, een centrale woning met uitzicht op de rivier omgeven door zevenhonderd jaar oude bomen. De architectuur is op z’n minst gezegd verrassend en geraffineerd. En heeft niets meer te maken met de veredelde campingtenten die vroeger de dienst uitmaakten in deze contreien. “Dit hotel is een antwoord op de nieuwste safaritrend”, vertelt de gastheer ons de volgende ochtend bij de koffie. “Twintig jaar geleden telden alleen de dieren. De accommodatie en de maaltijden waren bijzaak. Net als de praktische voorzieningen: als je naar het toilet wilde, moest je gewoon naar de dichtstbijzijnde boom. Dat is veranderd. Wie dit kan en wil betalen, eist een totaalervaring. Knappe kamers en een topkeuken maken daar deel van uit.”

“ZEN IS HET TOVERWOORD”

Greater Kruger Area, groot wild

Opnieuw tijd voor actie. Iedere villa beschikt over een eigen Land Rover, een chauffeur-gids en een tracker, een sporenzoeker. ‘Land Rover Jockeys’ is hun bijnaam. In ons geval heten ze Marlon en Glass. Samen hebben ze meer dan dertig jaar ervaring en vormen ze een hecht team. Marlon bestuurt de open Land Rover met één hand, de blik permanent gericht op de omgeving en de rechterhand van tracker Glass, die via kordate aanwijzingen de richting bepaalt. “We hebben hier een netwerk van meer dan honderd kilometer zandwegen, waarbij ik de meeste met m’n ogen dicht zou kunnen berijden”, zegt Marlon zonder ook maar een zweem van pretentie. Op onze stoel liggen een fleece-deken en een warmwaterkruik klaar. Glass zit ongeduldig op de tracker seat, muts ver over de oren, met dikke handschoenen en twee jassen aan. Gaspedaal, een zwarte wolk: we zijn weer weg. Glass werkt volgens het bekende principe; sporen lezen (dikwijls uitwerpselen), vorderen, observeren. “Hima, hima (stop)”, wenkt hij. Hij heeft olifanten en zebra’s gezien in de verte. De zon is maar net opgekomen, de lucht voelt nog ijskoud aan. We zien een grote kudde, alleen olifantenkoeien en hun kalveren. Een klein exemplaar staat nog wankel op de poten. Zo piepjong hebben we ze nog nooit gezien. “Hoe oud schat je hem?” vraag ik fluisterend. “Nog geen vier weken”, antwoordt hij. Het kalfje ziet er tekenfilm-mollig uit. Rubberachtig ook. “Olifanten zijn als walvissen, maar dan anders”, treedt Marlon ons bij. “Zachtaardig, krachtig en intelligent.” We rijden verder en passeren meteen een ganse zoo: zebra’s, nijlpaarden, impala’s, apen. “Iedere reiziger wil de Big Five zien: leeuw, neushoorn, buffel, luipaard en olifant”, zegt Marlon. “En dat is in principe geen probleem. De enige die wat moeilijker te vinden is, is het luipaard. Vooral omdat het een nachtdier is.” Onze eerste dag was alvast een schot in de roos, al is ‘schot’ niet echt het juiste woord in een natuurgebied waar men er alles voor doet om de populatie op peil te houden. ’s Middags strijken we neer aan ons zwembadje en genieten we van de gedoseerde winterzon. Een paar uur later staan we weer klaar voor de namiddagrit. Ook nu zijn de dieren talrijk aanwezig. En dat is redelijk ongewoon. “De werkelijke bush-oppervlakte is veel groter dan pakweg twintig jaar geleden, dus moet men langer zoeken. En dat levert hardnekkige geruchten op”, zegt de alweer in perfect safarihemd gestoken Marlon. “Maar dat er globaal minder dieren zijn dan in de begindagen is een fabel. Er zijn weliswaar dieren in (groot) gevaar gekomen, zoals de rhino (neushoorn), maar voor de rest blijft de populatie constant.” Bij zonsondergang kiezen we een grote, dikke boom uit en stoppen we voor een gin-tonic. Glass spreidt z’n tafeltje: wit linnen, kristallen glazen, een olielamp aan de laagste tak. We eten wat oude kaas en toast, niemand zegt iets. We genieten van elkaar, het gouden avondlicht en de stilte van de weidse savanne. Dit is het pure, wilde Afrika. “Het leven is zo mooi in Kruger Park,” mijmert Marlon. “Ik zou voor geen geld ergens anders willen leven.”

jockeys

Voorrang van overal

Op de terugweg –het is ondertussen pikdonker– gebeurt waar iedereen altijd hoopt. We stoten op een groep jagende leeuwen. Marlon stopt meteen de motor, meldt de confrontatie via de boordradio aan de lodge en dooft de lichten. Het is pikdonker en muisstil. We zijn nu alleen met de oorsprong van ons bestaan, de ‘circle of life’. Plots ruist er iets in het struikgewas. Tien mannetjes en acht vrouwtjes komen langs de Land Rover geslopen. Ze trekken langzaam door het verdroogde hoge gras. “Omdat ze opgegroeid zijn met onze wagens, zien ze ons niet als een bedreiging,” fluistert Glass, die z’n vooruitgeschoven zitje veiligheidshalve ruilt voor een plaats in de terreinwagen. “En ook op flitslicht zullen ze niet reageren. Alleen als je het voertuig verlaat, zal je aandacht krijgen. Maar pas vooral op voor olifanten die plots hun oren spreiden; dan is het menens. Maak dan maar dat je weg bent.” Een half uurtje later roept de lodge ons op. “Alles oké, Marlon?” We bevestigen. “Right, dan moet de chef niet wachten! Het is barbecue in de ‘boma’.” Dat staat voor ‘British Officers Mess Area’, een ronde, beveiligde eetplek met in het midden een groot kampvuur. Op het menu: verse springbok (legaal gejaagd) met vers geplukte tomaatjes, limoen en zoete aardappelen. Alles overgoten met een flesje Springfield Wild Yeast chardonnay uit 2006 en Adi Badenhorst z’n gegeerde RWT rode blend uit 2005. Beestig baie lekker!

avondvuur

Minimale impact veiligstellen

Tijdens het diner raken we aan de babbel met Mike, een hobbyfotograaf en fanatiek ecologist uit Durban. “Opmerkelijk aan deze lodge is de minimale impact op de natuur”, legt hij ons uit. “De suites zijn riante paalwoningen van hout en staal, maar lijken niettemin alsof ze uit een helikopter op hun plaats gedropt werden. Geen enkele leiding en nutsvoorziening werd ingegraven, alles werd netjes verstopt tussen het struikgewas. Als het bij wijze van spreken zou moeten, kunnen ze hier binnen de 24 uur vertrekken zonder dat iemand nog ziet dat er hier ooit een hotel gestaan heeft: “They touch the earth lightly, you know!” Ranger Marlon vervoegt het gezelschap. En hij heeft een mooi verhaal. Over die dorstige buffel die een slok zwembadwater probeerde te nemen maar met zijn hoofd niet diep genoeg over de rand kon. Hij nam een aanloop, plonsde met zijn zevenhonderd kilo het zwembad in, spetterde alles onder, leste zijn dorst en stapte via de trapjes in het ondiepe deel terug de bush in. Zelfs Glass, die het verhaal misschien al honderd keer gehoord heeft, blijft erom lachen. Voor het slapengaan heeft de barman nog een belangrijke mededeling: “Vergeet jullie thermo-poncho niet, het belooft koud te worden voor de morning drive. En vergeet ook jullie kamer niet op slot te doen. Vorige week hebben de apen nog een sleutelbos en een portefeuille gestolen.”

Giraf hindert opnieuw vliegtuig

“Avuxeni!” zegt Glass: “Goedemorgen!” Het is alweer berekoud in de Land Rover en dat zal nog twee uur zo blijven. Pas wanneer de zon boven de horizon klimt, zullen we ons kunnen opwarmen. Dat kwaliteitstoerisme in Zuid-Afrika –met meer dan zeven miljoen bezoekers per jaar– geen holle woorden zijn, bewijzen deze jongens dagelijks. De tracker heeft een leeg pakje sigaretten zien liggen. Daarvoor wordt gestopt, het wordt opgeraapt en meegenomen. Ook buiten de geijkte paden rijden wordt tot het minimum beperkt. Wanneer ze beiden plots, na een ernstig bericht uit de boordradio, in een bulderlach schieten, weten we niet echt waarom. “Een bushpiloot vraagt assistentie omdat er alweer giraffen op de landingspiste staan”, zegt Jenny “We moeten even politieman gaan spelen. Wanneer vliegen jullie naar Londolozi? Morgenochtend? Oké, we zullen het de giraffen meteen zeggen. Dat bespaart ons werk…”

Extra bescherming

Overdag laat de lodge nog even zien wat echte luxe betekent. In de late voormiddag krijgen we een kleine wine tasting aangeboden, lunchen doen we tête-à-tête op een rots boven de rivier en daarna worden we gemasseerd met lokale oliën in het spa center. Wat een leven… Wanneer de zon weer oranje kleurt, gaan we voor de laatste keer op tocht. Het laatste aperitief drinken we aan de rand van de rivier. Alles is vredig stil. Zo lijkt het toch. “Het gevaarlijkste dier is de hyena”, zegt Glass. “Die staat met stip in de top-drie. De leeuw staat op één, maar wat de hyena zo gevaarlijk maakt, is dat hij zo geniepig en stil is.” Onderweg naar de lodge wordt ons een indrukwekkend laatste schouwspel gegund. Een luipaard ligt lui (what’s in a name) op een tak in de diepgrijze schaduw van een lage boom. De vacht is smetteloos, honingkleurig. Zijn neus is roze, zijn buik ivoorkleurig. Deze uit de kluiten gewassen kat voelt zich volkomen op zijn gemak. We rijden iets dichter, stellen allen onze respectievelijke camera’s in en fotograferen. Plots kijken zijn gifgroene ogen ons doordringend aan. Zijn blik lijkt ons te doorboren. Hij geeuwt en rust verder. Loos alarm. Oef.

Een soepje van geroosterde rode pepers, gevolgd door haasbiefstuk van impala gegrild boven de smeulende kolen van meidoornhout… Dat is ons afscheidsdiner. We drinken er een dieprode merlot bij en luisteren naar het nijlpaardengebrom in de rivier. We beseffen weer van kop tot teen wat ‘The Call of Africa’ inhoudt.

Londolozi eert het eco-label

Kwaliteitstoerisme is voor Zuid-Afrika de allerhoogste prioriteit. “De regering doet echt wel enorme inspanningen”, zegt de goedlachse ranger Richard op onze derde en laatste korte stop: Londolozi.  Oké, de rhino is op schandalige wijze in gevaar gekomen en moet super beschermd worden. Maar voor de rest blijft de populatie constant, al zitten ze wel verspreid over een veel grotere oppervlakte dan in de beginjaren van het georganiseerde toerisme. Men moet dus langer zoeken naar dieren en dat levert die hardnekkige geruchten op.” Londolozi is een familiebedrijf sinds 1926 en was steeds de favoriet van wijlen Nelson Mandela. De cluster van lodges –ze zijn er in vijf verschillende stijlen en evenveel prijsklasses- werpt zich steeds meer op als de perfecte eco-safari. ‘Protector of all living things’ is het credo, de letterlijke vertaling van Londolozi. Om dat kracht bij te zetten wordt er zelfs geëxperimenteerd met elektrische terreinwagens. Tracker Oxide geeft grif toe dat Zuid-Afrika niet die super-wildernis is zoals Tanzania bijvoorbeeld, maar acht de lokale safari’s dan toch weer beter dan die in dat andere grote safariland, Kenia. Dat omschrijft hij als ouderwets, vooral dan wat accommodatie betreft. “Maar het moet gezegd: het succes van de Zuid-Afrikaanse safari’s hebben we vooral te danken aan de reiziger zelf”, zegt ranger Richard. “Ja, jullie moeten daar niet van schrikken: ik bemerk toch wel dat er hoe langer hoe respectvoller wordt omgesprongen met de omgeving. En gelukkig wordt er nu met een camera geschoten en niet langer met een geweer.” Bij het slapengaan vinden we in onze Tree Camp villa een mooi kaartje op het hoofdkussen. “Londolozi is always looking for a fusion between Ancient African Wisdom, Modern Technology and Nature.  In the words of Dave Varty, “The age of restoration will be born from the age of information.” Dankie.

Troep met jongen