Verrekijker Tanzania

Tanzania: Wild at heart

Tekst & foto’s door Timo & Michele Denys

De meest noordelijke strook van Tanzania, aan de grens met Kenia en met de Kilimanjaro als hoge oppergod,
is een schitterend decor voor wie van weidse safari’s met een massa beesten houdt, maar evengoed wil proeven
van authentieke culturele ervaringen. Jambo!


Karibu, Karibu! Hello, Sir. Habari gani? How are you?

Karibu, karibu! Hello, Sir. Habari gani? How are you? Er zijn gewone dagen, en er zijn Afrikaanse dagen. Gisteren ben ik in complete duisternis geland op Kilimanjaro Airport, waar de Airbus van KLM door het temperatuursverschil als het ware integraal condenseerde. Na een paar frisse pinten en een korte nacht in de Moivaro Lodge naast de luchthaven, zat ik vanochtend al vroeg in een aftandse Land Cruiser richting hoogste berg van Afrika: de Kilimanjaro. In het ochtendgrijs toont die zich nog niet, maar niets is wat het lijkt: als een groot spook loert hij om de hoek. De berg steekt immers ruim vijf kilometer boven zijn omgeving uit en is daarmee ook de hoogste vrijstaande berg ter wereld. Ik ben onderweg naar Olpopongi, een Maasai-dorp aan de voet van de berg, in the middle of nowhere. Het verkeer is hels, zoals overal in Midden-Afrika. Motors, trucks, jeeps, honden, koeien en geiten, voor elke centimeter wordt gevochten. Maar onder het motto dat goede wagens alleen door goede chauffeurs gereden worden, laat ik de chaos pragmatisch over me heen gaan. Het gevoel is dubbelzinnig. Enerzijds voel ik me de blanke koloniaal die een dorp bezoekt en in voorspelbaar volksvermaak terechtkomt. Anderzijds ben ik er enorm nieuwsgierig naar om 24 uur met een stam te kunnen optrekken, het woud in te gaan, het kampvuur te delen, de nacht in een boma (huttendorp) door te brengen en ’s morgens samen met de kippen oploskoffie te drinken. “Supai molelian, supai molelian”, roept Kimani. “Het dorpshoofd heet je van harte welkom”, vertaalt de chauffeur. We naderen het middaguur en de zon stijgt vervaarlijk hoog boven de horizon uit. Samen met de chef – al gebruikt hij dat woord zelf liever niet – neem ik het programma door. Na de lunch trekken we de vlaktes in. Vanavond wordt er gedanst en na de maaltijd zullen we ons rond het kampvuur nestelen: voor verhalen en frisse pilsjes die hier gepast Kilimanjaro Premium Lager en Serengeti Lager heten. Bier is trouwens big business in Tanzania; het is veruit dé nationale drank. De standaardfles is dan ook een halve liter.

Luisteren naar het landschap

Zo gezegd, zo gedaan. We lopen uren door het struikgewas, houden ons bezig met boogschieten en bestuderen de rijke flora. Na de kip op de grill met een portie gebakken rijst en groentenpannenkoekjes wordt me, voor de duisternis valt, de kamer Nyumbu (letterlijk: wildebeest) toegewezen. Luxury aficionados gelieve zich te onthouden! Dit is een door lokale vrouwen gebouwde lemen hut, zonder elektriciteit, water of welke voorzieningen ook. Enkele ingekapselde luchtgaten, een verharde uitgehaalde bodem voor eventueel een vuurtje ’s winters en een houten bed met daarop een armtierige strozak: dat zijn de enige voorzieningen. Vernuftig in z’n eenvoud. Het is dan ook gebouwd door Oma, het 93-jarige dorpshoofd, in een vorig leven ingenieur. Met een laatste premium lager spoel ik de eerste warme en vooral stofferige dag door, ondertussen genietend van de sterrenhemel, het vuur… en dromend van een douche. De universiteit van het leven is geopend.

Geen show, wel educatie

Niets zo heerlijk als ontbijten in de ochtendkilte van de jungle, met hete koffie in hoge kannen en een vers kampvuur als kameraad. Ik wissel met dorpshoofd Kimani van gedachten over de dunne lijn tussen eervol cultureel toerisme en plat commercieel geweld. “Onze stam speelde al lang met de idee om onze cultuur wereldkundig te maken”, legt hij uit. “Maar we hebben jaren gediscussieerd over hoe we dat zouden doen. Uiteindelijk werd dit gastendorp met negen hutten het compromis, vooral ook om het toerisme te kanaliseren. Want als je het als stam niet zelf organiseert, krijg je veel te veel à la carte-bezoeken, op termijn een onhoudbare situatie: soms wordt men goed ontvangen, soms helemaal niet. Nu is er structuur, met dat extraatje dat we de beperkte opbrengsten rechtstreeks naar de gemeenschap doorstorten. Vooral ons schooltje wordt daar beter van. Bovendien hebben we nu een basis geschapen voor het bewaren van en het communiceren over ons rijk cultureel Maasai-erfgoed. Het was een moeilijke evenwichtsoefening, maar we zijn tevreden.”

De toekomst is nu

De Maasai (ook wel Masaï of Massai gespeld) is de naam die wordt gegeven aan een grotendeels nomadisch volk in Oost-Afrika, voornamelijk woonachtig in Kenia en Tanzania. De totale populatie van de Maasai wordt geschat op 900.000, de helft hiervan leeft in Kenia. Exacte gegevens zijn niet beschikbaar aangezien er geen accurate volkstellingen plaatsvinden, maar vooral: ze kennen geen landsgrenzen. De Maasai slaagden erin om, ondanks de groeiende moderne beschaving, hun eeuwenoude tradities te bewaren. Om verschillende redenen staat deze traditionele leefwijze anno nu echter sterk onder druk. Zo wil de regering van Kenia bijvoorbeeld stukken van hun weidegrond voor vee afnemen om bij nationale parken als Serengeti en Maasai Mara te voegen. Vee is voor de Maasai onontbeerlijk. Ze eten het vlees, drinken het bloed en de melk, en gebruiken de huiden voor huizen. En van de botten produceert men werktuigen en kammen. “Bij dit dorp zijn onrechtstreeks enkele honderden Maasai betrokken”, legt Kimani uit. “Het stelt ons verleden veilig en geeft ons een eerlijke toekomst. Ashanti! Dank voor je bezoek.”

Dansende Masai

Allemaal beestjes

In Arusha, een metropool van 750.000 inwoners, precies halverwege tussen Caïro en Kaapstad, wissel ik van voertuig. Arusha ligt op het plateau van de Grote Riftvallei, aan de voet van de Meruberg en tussen de Serengetivlakte, de Ngorongorokrater, het Manyarameer, de Olduvaikloof en het Kilimanjaro National Park: het is dus de ideale uitvalsbasis voor safari’s. Mijn nieuwe chauffeur en gids heet Richard, een boomlange vent met een gulle glimlach. We overlopen het programma voor de komende vijf dagen en dat ziet er pico bello uit. “Je wil niet weten wat je allemaal te wachten staat”, lacht Richard. “Maar het zal de moeite zijn!” De aftandse terreinwagen is nu ingeruild voor een nieuwe stretched Toyota, inclusief uitklapbaar observatiedak. En ruime captain seats, heerlijk. Maar we zijn nog geen uur onderweg, of het loopt al mis. Richard wil enkele obligate stops langs de schreeuwerige souvenirwinkels maken. Als ik hem eerst vriendelijk en – aangezien dat geen gehoor krijgt – al snel kordaat laat weten dat dit niet mijn idee van een tocht door Tanzania is, kruipt hij met nijdige trekjes om de mond en een blik die een waar ongenoegen verraadt steeds dieper achter zijn stuur. Ik besluit het te laten koelen en er hem vanavond rustig over aan te spreken. Vandaag bezoeken we Park Lake Manyara; een opwarmer, zeg maar, maar daarom niet minder mooi. Dit is een van de kleine parken, vooral bekend om de flamingo’s en de aapjes. Beide blijken massaal aanwezig te zijn. Laatnamiddag bereiken we de Bougainvillea Lodge, een verzameling chalets tussen de hibiscusbloemen waar een legertje staff zich de naad uit de broek loopt. Na de rijstmaaltijd spreek ik Richard aan over het shoppingincident. Hij vertelt me eerlijk dat hij voor elke stop een spaarpunt op een klantenkaart krijgt. Tien punten leveren hem een geschenk op dat hij doorschuift naar het lokale dorpsschooltje. We maken een compromis: hij mag vanaf morgen één winkeltje per dag doen, ik wil nu ook niet de boeman zijn. Van het ene op het andere moment klaart hij op. Voor de eerste keer hoor ik ‘Hakuna matata’ – of: ‘Geen probleem’ – uit zijn mond. En het zal niet de laatste keer zijn.

” HAKUNA MATATA – ‘GEEN PROBLEEM’ “

krater

Wereldwonder aan de voeten

In het heelal is het alle dagen carnaval en in Tanzania elke ochtend verkwikkend fris. Het is dan ook late herfst – de ideale periode voor dit soort tochten – maar het heeft er evengoed mee te maken dat ik me op 2450 meter hoogte bevind. Vandaag bezoeken we de Ngorongorokrater, een gebied van mateloze schoonheid. Stel je even voor dat de Kilimanjaroberg zou imploderen – wel, dan krijg je dit: een intacte caldera of ingestorte vulkaankegel. Het is trouwens de grootste ter wereld. Deze is vermoedelijk twee miljoen jaar geleden ontstaan uit een vulkaan die zo’n vijf kilometer hoog geweest moet zijn. De krater heeft een doorsnee van twintig kilometer en de kraterbodem een oppervlakte van ca. 260 vierkante kilometer. De rand van de krater ligt ongeveer zeshonderd meter boven de kraterbodem. Daardoor ontstaan binnenin verschillende klimaatzones. In het midden – als ware het een soort podium – ligt een verblindend zoutmeer. Alvorens met de terreinwagen de afdeling in te zetten, lunchen we stijlvol in de Ngorongoro Crater Lodge, een eclectisch optrekje inclusief kroonluchters, met breed uitzicht op het natuurfenomeen. Ik nestel me even in de tijdelijke luxe van de paradijsvogels en geniet in alle stilte van het moment. “En… er zijn nog uitzonderlijke kenmerken”, vertelt Richard me, terwijl ik van een glas heerlijke Zuid-Afrikaanse sauvignon blanc nip. “De hoge en steile kraterwand schermt het gebied grotendeels af tegen de toevallige migratie van andere dieren. De leeuwenpopulatie vertoont daardoor een sterke inteelt. Omdat ook de Maasai tussen deze kraterpopulatie en de andere populatie in zitten, kunnen beide soorten elkaar niet ontmoeten. Trekkende kuddedieren, zoals gnoes, kunnen dat wél. Het resultaat: binnenin leeft ondertussen een afgesloten populatie van naar schatting 25.000 grotere zoogdieren. Daarmee is dit één van de dichtstbevolkte wildgebieden ter wereld.”

krater

Naar beneden, sir

We sturen onze Toyota de ruige, onverharde weg naar beneden op. Gelijktijdig stijgt de temperatuur, en neemt de wind af. De Ngorongorokrater was deel van het Serengeti-natuurreservaat sinds zijn ontstaan in 1951, maar werd in 1959 een zelfstandig natuurgebied. Sinds 1979 staat de krater op de Unesco Werelderfgoed-lijst. Enkele uren later heb ik gezien wat Richard me vanmiddag vertelde. Bijna alle grote Afrikaanse dieren komen voor in de krater: zebra’s, gnoes, zwarte neushoorns, olifanten, leeuwen, jachtluipaarden, en massa’s nijlpaarden. Een opvallende afwezige is de giraf: door hun lange nek en lange poten hebben ze de steile afdaling naar de bodem van de krater nooit kunnen maken. “Ook krokodillen, impala’s, lierantilopen en oribi’s komen niet in de krater voor”, verduidelijkt Richard. Net voor zonsondergang bollen we, na een spectaculair mooie rit, de Ndutu Lodge binnen. We zullen hier, aan de rand van Serengeti, twee nachten blijven. Terwijl buiten de zon vuurrood onder de horizon duikt en in het kamp de gaslampen aangestoken worden, neem ik een douche. Eindelijk. Daarna verbroeder ik rond een groot vuur in de boma met de andere gasten, allemaal gelijkgezinden die nog intens nagenieten van het unieke decor.

“For me, being in a park is like being in the Eden”

Nijlpaard

Flirten met de grens

De volgende twee dagen besteden we aan het ware safariwerk. Dat betekent: rondtoeren, veel stoppen, observeren. Safari betekent dan ook ‘reis’ in het Swahili. Ik schakel mezelf in ‘slow’-modus en probeer te leven op het ritme van de jungle. Je niet druk maken over wat je nog allemaal zou willen zien, maar gelukkig zijn met wat je voorgeschoteld krijgt. Je nestelen in de stilte. Zoals Karen Blixen – de Deense auteur van ‘Out of Africa’ die jarenlang in Kenia verbleef en er een plantage runde – ooit schreef:

For me, being in a park is like being in the Eden… De lucht van de Afrikaanse hooglanden steeg me naar het hoofd als wijn, ik was er de hele tijd lichtelijk dronken van, en de vreugde van die periode was onbeschrijflijk…

We flirten continu met de grens van de Serengeti, zeer waarschijnlijk het bekendste park van Tanzania. De naam is afgeleid van de Maasai-taal (Siringet), en betekent letterlijk “Eindeloze vlaktes”, een streek van savannes en boslandschappen verdeeld over het noorden van Tanzania en het zuiden van Kenia. De totale oppervlakte bedraagt 30.000 vierkante kilometer, waarvan tachtig procent in Tanzania. Er leven ongeveer 1,6 miljoen planteneters en duizenden roofdieren in het gebied. Maar de regio is vooral bekend omwille van de migratie die elk jaar plaatsvindt rond oktober. Daarbij verplaatsen ongeveer anderhalf miljoen planteneters zich omwille van de droogte vanuit de noordelijke heuvels naar de zuidelijke vlaktes. Daarbij moeten ze de rivier de Mara oversteken, en dat levert gegarandeerd spektakel op. Voor de krokodillen is dat een niet te missen jaarlijks feestje. Na de regens rond de maand april gaan de groepen dan terug via een westelijke omweg. Maar omdat ik te laat op het seizoen ben, bewaar ik dat voor een volgende reis. Dus kiezen we de outers, volgens Richard niet minder interessant.

Maar dé stunt krijgen we ’s avonds in de lodge voorgeschoteld. Terwijl we met z’n allen rond het vuur genieten van een gin-tonic, breekt plots de hel los. Vier buffels, achtervolgd door twee leeuwen, stormen door de tuin van de lodge. Glazen gaan tegen de grond, en onder het helse lawaai van het zich voor onze neus afspelende partijtje catch, vluchten we naar binnen. Meteen geldt een uitgaansverbod voor alle gasten. Er worden extra vuren aangestoken en bewakers opgetrommeld. Wie naar z’n kamer wil, krijgt een gewapende escorte. “Ik vertrouw het niet”, zegt de Nieuw-Zeelandse eigenares. “We moeten nu echt voorzichtig zijn.”

luchtballon

Een leger olifanten

Ik start de dag met een klein ritueel. Toen de legendarische ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley door het duistere oerwoud van Oost-Congo doolde – belaagd door ziektes, wilde beesten en vijandige stammen – bracht de man elke ochtend de discipline op om zich te scheren. Desnoods met koud water en een bot mes. Hij overleefde de expeditie, tachtig procent van zijn mannen bleef dood achter. We zijn heelhuids – we danken de goden – in alle vroegte vertrokken vanuit Ndutu, en rijden over een vers uitgeregende zandweg – korte regenbuien zijn pure poëzie in Afrika – naar het uren verder gelegen tentenkamp van Moivaro. De Toyota doet z’n 4×4-reputatie alle eer aan. In Moivaro woont de Hadzabecommune; die biedt reizigers de mogelijkheid om samen met hen op jacht te gaan. Ik weet niet echt wat ik ervan moet denken, en de verwarring wordt nog groter wanneer ik de volgende ochtend, na een heerlijke nacht in een wuivende tent aan het Eyasi-meer, bij zonsopgang diep het bos ingereden word en plots oog in oog sta met twee bosjesmannen, letterlijk gekleed in dierenhuiden.

Supai, Hello Sir. Keiyaa, How are you? Molelian, Welcome! Richard heeft zich laten vergezellen door een lokale gids die meteen ook alle vertaalwerk op zich neemt. Wanneer vader Bala en zoon Shakwa meteen een vers geschoten konijn beginnen te stropen, word ik helemaal argwanend. Maar nee, dit is geen georganiseerde Flintstones-show, wel het echte werk. “Deze familie leeft als nomaden, en uitsluitend van de jacht”, vertelt Richard. “Alleen de opbrengst van de zelfgemaakte jachtpijlen die ze als souvenir verkopen, genereert wat financiële inkomsten voor hen. Al de rest is authentiek.” En dan zijn we weg. Aan een verrassend hoog tempo trekken vader en zoon blootsvoets en alleen beladen met pijl en boog door de savanne. Met die boog schiet je nog geen koe vanop twee meter, denk ik, zo amateuristisch ziet het eruit. Tot junior plots een schot lost. De afstand is zo groot dat ik de prooi zelfs niet gezien had, maar ’t is wél prijs. Ik kom ootmoedig op m’n eerste indrukken terug. Uit zakflesjes slurpende jagers met hoogtechnologische wapens: eat your heart out! Dit jongetje baart het nodige opzien. Van een cliffhanger gesproken; dit smeekt naar meer. Vier uur later zijn we zes vogels, twee konijnen en één vos rijker. In deze bosjesmannenstam gaat geluk te voet.

Door heuvel en park

’s Namiddags bezoeken we nog het kleinere Arusha National Park, evenals het wondermooie Tarangire Park de volgende dag -waar we vergast worden op baobabs en een massa olifanten. Daarvan leven er hier 2.500. Alvorens de KLM-nachtvlucht terug naar Amsterdam op te springen, bezoek ik nog landgenoot Dirk Janssens in Arusha, vennoot van een charmante b&b, een boetiekhotelletje en een restaurant.  Zijn doel: prijs/kwaliteit leveren in een project waar ook de locals beter van worden. Een nobel initiatief. Na een loopbaan bij bagagefabrikant Samsonite kreeg z’n echtgenote Inneke plots een job aangeboden bij de UN – een vacature Internationaal Strafrecht – in Arusha. Dirk vroeg tijdskrediet aan en vertrok. In juli 2006 opende hij Onsea House, een b&b met vijf kamers. Dat bleek al snel een schot in de roos. Onsea House werd in september 2011 aangevuld met een buurproject: Machweo, een boetiekhotel met negen kamers dat zich profileert als upscale adres, inclusief wellness retreat en een fine dining-restaurant. Ik heb me opgefrist in een van de mooie kamers en zit met Dirk op het terras te mijmeren over het leven, het ondefinieerbare Afrika-gevoel en de roep van de jungle. “Je moet niet lang in Afrika wonen om te beseffen in welke luxepositie de Belgen vertoeven. Wat bij ons evident is, is hier in Afrika abnormaal.”, merkt hij op. “Weet je dat, als ik m’n kinderen in Tanzania naar een deftige school wil sturen, me dat jaarlijks een kleine auto kost? En anderzijds: hier heeft de bevolking weinig of niets, maar men klaagt niet. Men lacht, ook al zit men zonder werk of sterft de halve familie aan aids. En in België hangt iedereen aan de klaagmuur, ook al zijn de voorzieningen hemels. Tja…”

De reis eindigt zoals ze begon: “Naomba kili baridi, breng ons nog een koude pils!” Hakuna matata!