Olifanten Maasai Mara

KENIA INTO AFRICA

Tekst & foto’s door Timo & Michele Denys

Het zuidwestenvanKenia, aan de grens met Tanzania en met de Kilimanjaro als besneeuwdeoppergod,
is een schitterend decor voor wiehoudtvansafari’s met een massa beesten-vooraltijdens de periode
van de migratie, de grootste dierenverhuizingter wereld-en dit naadlooswil combineren met een
afsluitende strandvakantie.

Bush & Beach in Kenia

Hello, Sir! Karibu, welkom! Er zijn gewone dagen, en er zijn Nairobi-dagen. Vanochtend vroeg zijn we in een typisch Afrikaans twilight geland op Jomo Kenyatta International Airport,waar de Boeing Dreamliner van Kenya Airways door het temperatuurverschil integraal condenseerde. Nu daveren we over een autoweg die naam onwaardig richting Nairobi Wilson, de stadsluchthaven, vanwaar een schroefvliegtuigje ons tot Kichwa Temboairstrip zal brengen. Het verkeer is hels, zoals overal in Midden-Afrika. Motorfietsen, aftandse bussen, overladen trucks, jeeps, honden, en duizenden mensen langs de weg…Voor elke centimeter wordt gevochten en vooral geclaxonneerd. Maar onder het motto dat goede wagens als de onze alleen door goede chauffeurs bestuurd worden, laten we de chaosstoïcijns over ons heen gaanen rekenen op de lieve man vooraan die met de twee handen op het stuurde strijd aangaat. De binnenlandse luchthaven van de Keniaanse hoofdstad Nairobi is een georganiseerde chaos. Vliegtuigen staan er zo dicht bij mekaar geparkeerd dat je denkt dat het een grap is. Nee dus. Op de een of andere manier worden we toch op tijd ingecheckt en nemen we even later plaats in een nette Cessna Grand Caravan. Die vertrekt perfect op tijd en deponeert ons een uur later, na een grote verkennende bochtscherend over giraffen, met een kisslanding in het Maasai Mara National Reserve. We zien één terreinwagen, één chauffeur en twintig zebra’s. Goedemorgen,allen.

Cessna Kenia

Opgaan in het landschap

De Maasai Mara is een natuurreservaat in het zuidwesten van Kenia. Het is 1700 vierkante kilometer groot en het grenst aan de Serengeti-vlakte. Dé grote attractie voor safariliefhebbers is de massale seizoenstrek van de gnoesen de zebra’s. “Binnen het park is er een uitgebreid netwerk van onverharde wegen die in de droge tijd door alle soorten auto’s te berijden zijn”, legt chauffeur en gids Richardons uit, onderweg naar onze thuis voor de komende drie dagen: het charmante Kilima Camp. “Maar in de regentijd zijn de wegen zelfs voor een terreinwagen moeilijk. Gelukkig is dan ook het toerisme beperkt. ”Hoewelhet ondertussen al laat in de voormiddag is, valt de kilte ons op. Mara ligt dan ook op 1500 tot 2100 meter hoogte. Na een eerste kennismaking met de lodge en een lunch onder de patio gaan we op stap. Het landschap bestaat voornamelijk uit grasvlakten met daarop af en toe acacia’s en rivierbos. “Er stromen twee belangrijke rivieren door het park”, legt Richard uit. “De Talek en de Mara. Vooral die laatste is beroemd omwille van de migratie. De meeste regen valt in het noordelijk  deel van het park en dat maakt ook dat de dichtheid aan wild van tijd tot tijd flink verschilt.”

Maasai als politieagent

Kortzichtige luxury aficionados zullen voor Kilima Camp de neus ophalen. Wie slaapt er nu in een tent? Behalve als die tent zestig vierkante meter groot is en uitgerust met een regendouche. Vernuftig in z’n eenvoud. Noem het gerust ‘logeren in Out of Africa-stijl’. Bovendien: wat een uitzicht! Het panorama vanop het terras van onze luxetent is adembenemend. We overzien kilometers ver de savanne, de Mara-rivier schittert in de zon. Niets zo heerlijk als ontbijten in de ochtendkilte van de jungle, met hete koffie in hoge kannen en een vers kampvuur als kameraad. Opmerkelijk is de aanwezigheid van de Maasai (ook wel geschreven als Masaï of Massai) die als getrainde bodyguards overal opduiken. Lief hoor,maar alomtegenwoordig. Maasai is de naam die wordt gegeven aan een grotendeels nomadisch volk in Oost-Afrika, voornamelijk woonachtig in Kenia en Tanzania. De totale populatie van de Maasai wordt geschat op 900.000, de helft daarvan in Kenia. Exacte gegevens zijn niet beschikbaar aangezien er geen accurate volkstellingen plaatsvinden,maar vooral: ze kennen geen landsgrenzen. Vee is voor de Maasai onontbeerlijk. Ze eten het vlees, drinken het bloed en de melk, en gebruiken de huiden voor huizen. En van de botten produceert men werktuigen en kammen. De Maasai slaagden erin om, ondanks de groeiende invloed van de beschaving, hun eeuwenoude tradities te bewaren. Om verschillende redenen staat deze traditionele leefwijze anno vandaag echter sterk onder druk. Zo wil de regering van Kenia bijvoorbeeld stukken van hun weidegrond voor vee afnemen om bij nationale parken als Serengeti en dit Maasai Mara te voegen. “Bij dit dorp zijn onrechtstreeks enkele tientallen Maasai betrokken”, legt de lodge manager uit. “Het stelt ons verleden veilig en geeft ons een eerlijke toekomst. Bovendien stellen we het op prijs dat ze actief bij het toerisme betrokken worden.”

Allemaal beestjes

De volgende drie dagen besteden we aan het ware safariwerk, de hoofdreden van de reis. Doel: een stukje van de migratie zien. Dat betekent: rondtoeren, veel stoppen, observeren. Safari betekent dan ook ‘journey’, ‘reis’ in het Swahili. We schakelen onszelf in slow modus en proberen te leven op het ritme van de jungle. Ons niet druk maken over wat we nog allemaal zouden willen zien, maar gelukkig zijn met wat je voorgeschoteld krijgt. Je nestelen in de stilte. Zoals Karen Blixen – de Deense auteur van ‘Out of Africa’ die jarenlang in Kenia verbleef en er een plantage runde – ooit schreef: “…Voor mij is een park bezoeken als in het Aards Paradijs zijn…De lucht van de Afrikaanse hooglanden steeg me naar het hoofd alswijn, ik was er de hele tijd lichtelijk dronken van, en de vreugde van die periode wasonbeschrijflijk…” We rijden langs de grens van Serengeti, zeer waarschijnlijk het bekendste park van Tanzania. De naam is afgeleid van Siringet, een Maasai-woord dat letterlijk ‘eindeloze vlaktes’ betekent. Het is een streek van savannes en boslandschappen, verdeeld over het noorden van Tanzania en het zuiden van Kenia. De totale oppervlakte bedraagt zo’n 30.000 vierkante kilometer, waarvan tachtig procent in Tanzania. Er leven ongeveer 1,6 miljoen planteneters en duizenden roofdieren in het gebied. Maar de regio is vooral bekend omwille van demigratie. Bijna twee miljoen gnoes, gazelles en zebra’s trekken elk jaar van het Serengeti-park naar Maasai Mara in Kenia. En terug. Het is en blijft een van de spectaculairste dierenmigraties op de planeet. Daarbij moeten ze de rivier de Mara oversteken, en dat levert gegarandeerd spektakel op. Voor de krokodillen is dat een niet te missen jaarlijks feestje.

Springende gnoe

Flirten met de grens en de crocs

De Grote Trek van de grazers van het Serengeti National Park is, om het prozaïsch uit te drukken, een jaar lang rondjes lopen. Vanaf het late voorjaar trekken de dieren vanuit het zuiden van de Serengeti noordwaarts, op zoek naar verse graaslanden en water. Een paar maanden later bewegen ze zich met z’n allen terug zuidwaarts, opnieuw naar de grasvlaktes van de zuidelijke Serengeti, waar het tegen november – afhankelijk van regenval – in principe terug groen is geworden. De eerste dag vangen we bot, net als de tweede. Zijn we dat toch nette vroeg in het seizoen? Of staan we op de verkeerde plekken? Richard begint zich zorgen temaken, hij wil ons absoluut een crossing kunnen tonen, zijn trots als gids en sporenzoekerstaat op het spel. Maar in de voormiddag van onze laatste dag rijden we er knal op. Alsof het een afgesproken signaal betrof, zijn we getuige van een kudde zebra’s die plots de rivier doorwaden, tussen de hongerige krokodillen door. Dat levert vaak dramatische beelden op en we zien het ook vlak voo ronze neus gebeuren. Zo’n vijf krokodillen slaan elk op hun beurt toe, maar vangen bot. “Zebra’s stampen vervaarlijk met hun achterpoten,want daar grijpen de krokodillen naar”, legt Richard uit. “En dikwijls helpt dat. ”De kudde bereikt zonderbloedvergietende overkant. Oef! Al zullen de krokodillen daar anders over denken. Wat een beleving, een wereldwonder aan onze voeten. Richard stuurt onze Toyota terug de ruige, onverharde weg naar de lodgeop. Hij is tevreden, het doel is bereikt. ‘s Namiddags nestelen we ons op het terras met wat lectuur. Terwijl buiten de zon vuurrood richting horizon duikt en in het kamp de gaslampen aangestoken worden, nemen we een douche. Daarna wordt verbroederd rond een groot vuur in de boma met de andere gasten, allemaal reizigers pur sang die nog intens nagenieten van het unieke decor. Een lekkere fles cabernet sauvignon verschijnt in de wijnglazen. In de verte klettert een onweer.

Per vliegtuig naar de olifanten

We starten de nieuwedag met een klein ritueel voor de scheerspiegel. Toen de legendarische ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley door het duistere oerwoud van Oost-Congo doolde – belaagd door ziektes, wilde beesten en vijandige stammen – bracht de man elke ochtend de discipline op om zich te scheren. Desnoods met koud water en een bot mes. Hij overleefde de expeditie, tachtig procent van zijn mannen bleef dood achter. Wij zijn heelhuids – we danken de goden – in alle vroegte vertrokken vanuit Kilima, doorgevlogen naar Amboseli airstrip, en rijden nu over een vers uitgeregende zandweg – korte regenbuien zijn pure poëzie in Afrika – naar Tawi Lodge. De Toyota Landcruiser doet z’n 4×4-reputatie alweer alle eer aan. Deze lodge is van een heel andere orde: geen tenten, maar dertien huisjes, een groot zwembad in het midden met uitzicht op de Kilimanjaro en een ingekapselde bar onder de grootste boom. We worden welkom geheten door lodgemanager Peter. “Let een beetje op met de apen”, zegt hij. “Voor je het weet zitten ze binnen.” ‘s Avonds toasten we met de andere gasten rond het kampvuur. Voor sommigen zit de reis erop, wij zijn halfweg. Peter entertaint discreet het internationale gezelschap aan de lange tafel met veel humor en flinke vleug ironie.

De pure savanne

Het nationaal park Amboseli is een beschermd natuurgebied met een oppervlakte van 392 vierkante kilometer, gelegen in het Keniaanse district Kajiado. Veertig kilometer ten zuiden van het park ligt de Kilimanjaro, net over de grens met Tanzania. De berg waakt, overziet en volgt je overal, waar je ook gaat of staat. Amboseli is na Maasai Mara het populairste nationaal park van Kenia en daarom heeft het ook een klein vliegveld, wat een vlotte combinatie van beiden mogelijk maakt. De Maasai leven al duizenden jaren in het gebied van het park. Zij noemden de regio Empusel, wat ‘zout, stoffig gebied’ betekent. De Britse geoloog en ontdekkingsreiziger Joseph Thompsonwas in 1883 de eerste Europeaan die het gebied bezocht. In zijn rapporten beschreef hij haar grote biodiversiteit en het grote contrast van het droge gebied en de vruchtbare moerassen. In 1906 werd het gebied door de Duitsers tot een reservaat voor de Maasai bestemd. In 1948 kwam het onder beheer van de Britse koloniale regeringen werd het een… jachtreservaat, Maasai Amboseli Game Reserve geheten. Het gebied werd in 1974 geklasseerd als een nationaal park onder beheer van de Kenya Wildlife Service. Eind 2005 verklaarde de Keniaanse president dat het park voortaan beheerd zou worden door de Maasai in samenwerking met het districtsbestuur. Sindsdien heerst de rust.

Leven in de schaduw

“Het park maakt onderdeel uit van een ecosysteem van savannes en moerassen, dat een oppervlakte heeft van zo’n 8.000 vierkante kilometer en zich uitspreidttot over de grens met Tanzania”, verduidelijkt de jonge gids/chauffeur Ronons de volgende ochtend. “In het park liggen twee van de vijf voornaamste moerassen van deze eco-regio, die voor een groot deel worden geïrrigeerd door water afkomstig van de Kilimanjaro. Hierdoor heeft het park een relatief grote biodiversiteit in een gebied waar slechts weinig neerslag valt. In het park bevindt zich ook een opgedroogd meer uit het Pleistoceen.” Al snel wordt ons duidelijk dat leven in de schaduw van de machtige Kilimanjaro zowel bikkelhard als wondermooi is. De moerassenin het park worden bezocht door een groot aantal diersoorten. Maar het park is beroemd als de beste plaats om wilde savanneolifantente bezichtigen, en die eisen overduidelijk hun plaats op. “Met olifanten moet je altijd wat uitkijken”, glimlacht Ron.“Eigenlijk barst de populatie uit zijn voegen en dat levert spanningen op.”

Kilimanjaro

Indische Oceaan als douche

Na dagen van veel stof en olifanten in diverse geuren en afmetingen, lonkt de oceaan. Een laatste vluchtje brengt ons naar Diani Ukunda en van daaruit is het nog een half uurtje met de wagen tot de ultieme plek om het stof van de savanne af te spoelen. Belg Frederik Vanderhoeven opende tien jaar geleden zijn droomhuis aan de Indische Oceaan, in Kwale op het zuidelijkste puntje van Kenia, een boogscheut van de grenspost met Tanzania. Msambweni Beach House, een wit pand in Lamu-stijl, met andere woorden: een huwelijk van Swahili-look met Arabische architectuur. Een strandhuis op een twaalf meter hoge krijtrots, maar ook een thuis ver van huis, met slechts drie oversized kamers, drie alleenstaande villa’s (allemaal met privé-zwembad) en één Ocean Suite, genre Robinson Crusoë-optrekje. Al snel groeide het uit tot een populaire plek voor no-nonsense meerwaardezoekers om een safari te beëindigen. De bijna dertig personeelsleden (gehuld in witte djellaba’s en sandalen) maken het de gasten naar hun zin, leren we meteen. Eten bijvoorbeeld doen we wanneer en waar we willen. Tijd speelt hier geen rol. We installeren ons rond het centrale XL infinity-zwembad, drinken bittere Keniaanse koffie en eten verse mango’s en flinterdunne, in de houtovengebakken pizza’s. Het voelt als een Marokkaanse riad, maar dan een pak zuidelijker. Onze spierwitte kamer is bijzonder sexy en ruim. Muggennetten, een ruim terras en plafondventilatoren geven het geheel een koloniale sfeer, het brocante natuurhouten meubilairdoet de rest. Op aanraden van andere gasten bestellen we een massage in de strandcabine en genieten van de luxe. We bedenken: dit is ruraal Afrika, authentiek, soms wat traag en slordig, met een knipoog naar de Belgische keuken en vierkante meters waar andere hotels tien kamers van maken. Niet te verwonderen dat dit optrekje populair is, zoals overigens ook de hele regio waarin het zich bevindt. Want wat kocht de voormalige topman van het sportkledingmerk Puma als buitenverblijf? Een berg in Kenia met 500 hectare grond bij.“Het wilde paradijs”, noemde hij het.Wie spreekt hem tegen?